Internationale regels

Voor de uitvoerige officiële spelregels (met voorbeelden van rokade, “en passant” slaan, promotie  enz.) van het “Mat” schaken zie: FIDE regels voor het schaakspel

Samenvatting

in eigen (Alof J. Wolt) bewoordingen:

Waar het om gaat: de speler probeert met behulp van het leger de koning van de tegenpartij gevangen te nemen en te voorkomen dat zijn eigen koning achter de tralies belandt.

schaakstukken
  • Het vierkante bord, met zijn 64 velden, ligt altijd zo dat het vakje links onder (A1 dus) zwart is. De witte Dame staat dan op een wit veld (D1), de zwarte Dame op een zwart veld (D8).
  • Wit begint.
  • “Slaan” (pakken) mag maar hoeft niet. Het stuk dat slaat komt te staan op de plek van het geslagen stuk.
  • De Koning staat schaak als hij rechtstreeks bedreigd wordt. De speler moet het schaak opheffen. Lukt dat niet, dan staat de koning schaakmat en is de partij uit en over. Een speler mag overigens nooit een zet doen waardoor de eigen Koning schaak komt te staan!
  • De partij is remise als:
    1. beide partijen dit overeenkomen
    2. bij “eeuwig schaak”: het lukt de Koning maar niet zich aan schaak te ontworstelen,
    3. “Pat”: De Koning staat weliswaar niet schaak, maar de partij die aan zet is kan geen enkele reglementaire zet doen.
    4. dezelfde speler voor de derde keer in dezelfde stelling aan zet is.
    5. als gedurende 50 zetten geen pion is verzet of geen stuk is geslagen,
  • “Aangeraakt speelt”. Het loslaten van het aangeraakte stuk is onherroepelijk. Een ongeldige zet moet worden teruggezet.
  • De Koning mag slechts één stap doen, zowel schuin als recht.
  • De Dame mag ook zowel schuin als recht,  maar dan net zoveel stappen als ze maar wil of kan.
  • Een Toren mag alleen maar recht. Dus recht naar links, of naar  rechts, naar boven of naar beneden.
  • Een Paard is het enige stuk dat over andere stukken heen springt. De sprong bestaat uit drie blokjes die samen een L-vorm hebben in alle mogelijke standen. Dus ook liggend enz.
  • Een Loper gaat alleen maar schuin, diagonaal. (Heeftmeestal een schuine gleuf in zijn “hoed”.)
  • Een Pion is een bijzonder geval.
    • Gaat uitsluitend recht naar voren, maar hij mag alleen maar schuin naar voren slaan.
    • De pionnen mogen bij hun eerste zet  kiezen uit één of twee stapjes recht naar voren.
    • Verandert, naar eigen keuze, in een Dame of een Paard als hij de overkant haalt (promoveert).
    • Mag/kan “en passant” slaan.
      Situatie: vanuit de beginpositie gaat een pion twee velden vooruit. Hij komt daardoor soms naast een ver opgerukte pion te staan van de tegenstander die hem nu dus niet schuin kan slaan. Volgens een bijzondere regel is het echter de opgerukte pion toegestaan toch te “slaan” alsof de andere pion maar één zet heeft gedaan. Dat moet dan wel meteen gebeuren.
  • De Rokade.
    De Koning doet twee stappen in de  richting van zijn Toren aan de linker- of aan de rechterkant. Die Toren wordt dan over de Koning heen getild en naast hem gezet.
    Voorwaarden voor Rokade
    • De Koning of die Toren mogen nog geen zet gedaan hebben.
    • De Koning mag niet schaak staan (en zich dus niet door de Rokade aan dat schaak onttrekken).
    • De Koning mag geen veld passeren dat bestreken wordt door een stuk van de tegenpartij.
    • De velden tussen de Koning en die Toren moeten leeg zijn.
Cookies maken het eenvoudiger voor ons om onze diensten te leveren. Met het gebruik van onze diensten geef je ons toestemming om cookies te gebruiken.
Meer informatie Ok Weigeren